Wat Een Levenskracht
Wat Een Levenskracht
Daar is een heerlijk boompje in grote ijver gekapt. Hoe bespottelijk, lachwekkend of beter, wat een deerniswekkend, gezicht. Wat heeft het stompje niet “gebloed” en al die “smaad” moeten verdragen. Maar uit dat stompje is een takje uit gegroeid en uit dat takje, nieuwe takjes en het is toch een heerlijk boompje geworden.
En daar is de vechthaan die in zijn oog is getroffen – ze hebben hem laten vechten – en dat oneindig verlies van een oog en alle pijn en leed droeg hij zonder kreunen, klagen dagen-lang alleen met kracht en waardigheid. Is er wat fout aan de vechtlustigheid van hanen en krekels?
En daar ziet ze het zonlicht. Ze groeit door al het groen naar boven uit en ze bloeit, ze juicht, ze straalt dat “onkruid”.
En daar is de “arme” bevolking, net als het onkruid, niet in een verzorgde bloempot met van alles voorzien, maar aan zichzelf overgelaten aan de kant van de weg, van de sloot, in spleten van de muur en weten voor zichzelf te zorgen, kunnen grote ontberingen verdragen, zijn sterk, gezond en ook gezegend door Moeder Natuur.
1977