Vrij Zijn
Vrij Zijn
Daar is de vreugde als ik in
Taman Ismail Marzuki een muziek recital niet in de concert-zaal, maar net zo goed daar in de tuin
kan horen.
Ik hoef niet deftig gekleed in benauwde glimmende schoenen in een taxi te verschijnen; ik loop luchtig gekleed op sandalen, breng wat snoep mee en zit aan de kant van een tuin-paadje samen met z’n tweeen van het lekkers te genieten, mijn benen op het gras onder een tuin-lantaren. Wij hoeven niet te praten, geen handen te drukken, commentaar te geven, beleefd in de handen te klappen, en we kunnen komen en gaan, of niet luisteren wanneer het ons verveelt.
Er is zelfs een nog groter vreugde als ze denken dat ik, een grote kunst-liefhebber, kunst uitvoeringen zeer op prijs zou stellen en mij een invitatie sturen, en ik in grote tweestrijd tussen gaan en niet gaan, laat dan de kaarten liggen en gooi alle kunst en welwillendheid overboord, pak mijn fiets en rij langzaam, van de vrije avond genietend, stop ergens bij een plein en koop warme “tahu-pong”.
In gedachten zie ik de mensen in de schouwburg, waar ook ik “gevangen” zou zitten met al die drukte om nietigheden. Nu ben ik ver daar vandaan, heerlijk vrij, ook vrij van de angst om de welwillendheid van de mensen die mij een invitatie stuurden, met een teleurstelling te moeten belonen, de vreugde van mijn vrijheid, met warme “tahu-pong” eten, met mijzelf en mijn eigen gedachten, onder de weidse sterren-nacht te vieren.
Hoe vrij is daar een eenden-moeder met eendjes onder een heerlijke koele boom te rusten, maar nog vrijer is daar het oneindig vrije “julung-julung” visje in het sawah-water; tijdloos, plaatsloos, zorgloos. Het visje is zich niet bewust van tijd, plaats en zorgen.
