In de Dertiger Kinderjaren 5
In de Dertiger Kinderjaren 5
Epiloog
Tijdens de Japanse invasie was alles gerampokt en praktisch niets is overgebleven. Jaren daarna, na de oorlog kwam ik terug intussen gehuwd, met mijn dame en drie kleuters, die nu volwassen jongelui zijn geworden. Het lijkt als of alles maar pas gisteren gebeurd was en nu heb ik grijs haar.
Daar zaten we de hele dag onder de bekende rij oude manggistan bomen aan de oever van de bruisende Cikaniki op het voorerf van het nu verdwenen landhuis. Hier hadden de van Motman’s, de eerste landheer met zijn gezin gewoond, mijn moeder had daar als meisje gewoond en wij hadden als kinderen daarin gespeeld en nu spelen mijn kinderen op het zelfde stukje land dat nu onherkenbaar was geworden. Alleen de oude Nam-nam boom en het kabbelend slootje dat erg verwilderd was geworden en nu door de wild-begroeide puinhopen vloeide, waren er overgebleven.
In de verte zag ik de de zo bekende oude brug, dezelfde sawah omstreken, het beekje met de atap-palmen langs de weg en een eenzame sado in een kromming van de weg de brug oprijden. De sado – niet de deftige deleman -, die zo’n sierlijke boog van achteren heeft, waarmee je dromend rug aan rug met de koetsier ongehaast van desa naar desa voerde.
Nu halen ze de grote kali-stenen en het zand weg uit de kali’s en bossen worden gekapt, zo heb ik gelezen. Oude waardige waringin-, kenari- en regen-bomen die de natuur minstens een halve eeuw nodig heeft om ze tot zo’n omvang, hoogte en schoonheid te brengen, worden zonder enig gevoel van groot verlies in drie of vier dagen omgehakt. Dat heb ik zelf gezien in
Jakarta.
Wat zijn berg-kali’s zonder zand en grote kali-stenen, wat zijn
bergen zonder bossen, wat zijn steden zonder bomen? Mooie vlinders die men gekortwiekt heeft, wriemelend vlinder-lijfjes.
Toen ontwaakte men met als ochtend-groeten het kwinkeleren van vogels en het gekraai van hanen. Maar nu? Nu word men met schrik wakker van de rinkelende wekker en telefoon.Ik bgrijp niet dat men geen betere wekker of telefoon uitvond met mooi vogel-gekweel of met mooi muziek. Nu, in ’07 hebben ze het gelukkig al.
Bekende vogels zoals de jalaks, kutilangs, tekukurs, perkututs, glatiks, manyars zie je haast niet meer in Jakarta en omstreken, behalve op de vogel-markt.
De belibis, de blauw-zwarte snippen vond je toen met gebonden pootjes als te slachten gevogelte op de Ancol-weg voor een prikje te koop.
De celepuk, groene hout-duif zijn helemaal uit
Jakarta verdwenen. Ook de musang met zijn pandan-luchtje. Je ziet geen heerlijke zeilende kieken-dieven meer, ook de reigers niet die daar hoog in de lucht, lang uitgestrekt in formaties van een “V” of een lijn of in een cirkel zeilen., plotseling een hele wir-war maken om weer verder in formaties te zeilen, zoals een fuga in lijnen, of als vuur-pijlen in de lucht.
De grote ramp in Jakarta nu is de banjir, de grote overstroming van Jakarta de laatste tijd met motoren, auto’s, technologie, computers, video’s, supermarkets, plaza’s, blok-vormige hoge en grote gebouwen waardoor zoveel natuur-schoon en cultuur-schoon dreigt te verdrinken.
